| Mijn leven als een hooligan? Door Robin van Koert Je kunt een beroemdheid op je lijstje van 'heb ik ontmoet' vermelden als je minstens twintig woorden met hem of haar gewisseld hebt. Tenminste, volgens Tim Krabbé in zijn boek "43 wielerverhalen". Soms zijn woorden overbodig, stelt hij, opdat hij nog een wielrenner aan zijn verzameling kan toevoegen. Als toeschouwer keek hij namelijk enkele seconden in de vermoeide ogen van een achterblijver, die bezig was aan een zware beklimming. Hij schreeuwde een aanmoediging. De intens dankbare blik van de renner sprak volgens hem vele woorden. Het verhaal bracht een begrijpende glimlach op mijn gezicht. Gebruiken we immers niet allemaal onze verbeelding om ons leven net dat ietsje mooier, avontuurlijker of zelfs gedurfder te doen lijken? Ik was het verhaal al bijna vergeten toen ik een aantal jaren geleden op een zonnige lentedag van ons appartement naar Central Park slenterde. Plotseling stopte, midden in een linkse draai naar een parkeergarage, een sportwagen voor mij. Enigzins verbaasd bekeek ik de bestuurder. New Yorkers staan namelijk niet bekend om hun beleefdheid. 'Krijg nou wat', dacht ik, 'het is John McEnroe'. Met een korte beweging van mijn hand vertelde ik hem dat hij wat mij betreft door kon rijden. 'Geen sprake van', schudde John glimlachend zijn hoofd. Hij gebaarde vervolgens dat ik door kon gaan. Ik wandelde voor de wagen langs en bedankte hem met een korte groet. Hij stak breed grijnzend zijn duim op en ik maakte van hem de eerste beroemdheid op mijn lijstje. Extra glans geven aan je leven is lang niet altijd de enige reden voor het aandikken van onbetekenende gebeurtenissen. Soms wil je voor vol aangezien worden, verlang je naar geloofwaardigheid. Street creds, noemen ze dat in New York en London. Als trouwe voetbalfan, bijvoorbeeld. Je gaat alleen voor de wedstrijd, voor jóuw cluppie, maar die extra aandacht van de politie, en natuurlijk de media, voor jouw persoontje voelt toch wel belangrijk. Je bent iemand. 'Ze' moeten rekening houden met jou. Jij hebt alles voor je helden over. Zelfs een stadionverbod. Als beginnend FC aanhanger, bekeek ik de 'harde kern' van de Bossche aanhang met een mengeling van afgrijzen, verbazing en merkwaardig ontzag. Vergeleken met hen was ik een 'softie', misschien zelfs wel geen 'echte' supporter. Desondanks ontwaarde ik kort geleden, terugkijkend op mijn leven als fan van Blauw en Wit, tot mijn grote genoegen een mooi lijstje van hooligan-momenten à la Krabbé. Mijn leven als lid van de 'harde kern' ... of toch niet?!? Mijn eerste ervaringen beleefde ik in het land van de Tukkers, Enschede en Almelo. De staantribune van Het Diekman. Mijn blauw-witte sjaal was duidelijk zichtbaar. Plotseling renden een aantal zingende Bosschenaren langs mij heen richting het FC vak. Eén van hen stopte, draaide zich om en kwam op mij af wandelen. 'DEN BOSCH!!!', schreeuwde hij als groet. 'Lekker gemat in het centrum', vervolgde hij enthousiast, 'en ook nog even een paar ruitjes ingetikt'. Ik was niet onder de indruk. Hij gaf me een kameraadschappelijke klap op mijn rug en ging zijn vrienden weer achterna. Lichtelijk beschaamd keek ik om me heen. Deze jongen niet, probeerde ik uit te stralen. Tot mijn verbazing zag ik echter enkele Twente-aanhangers iets verder van mij weg gaan staan. Een hooligan? Ik? De bus vertrok vanaf de campus van de universiteit. Geleidelijk verschenen enkele zwart-witte sjaals in de bus. Zonder overstappen kwam ik bij het stadionnetje van Heracles aan. De FC ging lekker dat seizoen. Vol vertrouwen kocht ik een kaartje voor het thuisvak van Heracles achter het doel. Dat zat, of liever stond, vol met Almelose supporters. Ik slikte even. Zo dapper was ik nou ook weer niet. In Het Diekman leek het allemaal zo simpel, maar nu was ik dan echt alleen. De Bosschenaren scoorden al snel en ik begon spontaan te juichen. Even keek ik om me heen. Geen reactie. 'Ha', dacht ik, 'da's pas tam volk' en moedigde de Bosschenaren uitdagend aan. Na afloop liep ik rustig naar buiten. Plotseling. Politie. ME. Onder zware bewaking werden de FC fans naar een gereedstaande bus geleid. Van onder een helm keek een paar ogen indringend naar mij en mijn blauw-witte das en sjaal. 'Hé, jij daar. Hier komen!', zag ik de ME'er denken. Vlug schoot ik tussen de thuissupporters. Ik had geen behoefte aan een enkeltje Den Bosch die avond. Op een zonnige dag in juni 1991 maakte ik het voorlopige hoogtepunt mee van mijn gefantaseerde alter ego: de KNVB Bekerfinale in de Rotterdamse Kuip. Op de een of andere manier hadden mijn broer en ik kaartjes voor de wedstrijd te pakken gekregen. Een drietal van zijn vrienden was eveneens meegekomen. Tilburgse FC supporters voor een dag. Vanuit Rotterdam Centraal kwamen we mooi op tijd bij het stadion aan. Al snel hadden we uitgevonden hoe we bij onze plaatsen konden komen. Makkelijk zat. Plotseling werd ons de weg versperd door een rij ME'ers te voet en een paar van hun collega's te paard. Gewoon doorlopen, dachten wij, maar de schilden en knuppels gingen omhoog en de ME'ers te paard sloten ons in. Daar stonden we dan. De bevestiging. Vijf onschuldige, maar stoere FC fans met drie keer zo veel ME'ers om ons heen. Maar toen. In de verte zagen we opeens de harde kern van de FC zingend voorbij lopen. Wat een teleurstelling. Al die aandacht was niet voor ons bedoeld. Echte fans waren we zeker, maar tegelijkertijd geen hooligans. Een paar weken geleden glimlachte mijn vriend Ian meewarig toen ik hem vertelde over mijn fantasieleven als voetbalvandaal. Hij is een hartstochtelijk aanhanger van Millwall FC. De Londense club met de slechtste reputatie van Engeland. Op sandalen, in een jaren zeventig jas, met een Lennon-zonnebrilletje met oranje glazen in het alternatief modieuze kapsel en een glas wijn in de hand kun je hem al jaren voor thuiswedstrijden in een pub vlakbij The Den, het stadion op het Londense Isle of Dogs, tussen de keiharde kern van de Lions vinden. De ontwikkelingswerker noemen ze hem. Niet dat het hem iets uitmaakt. Het is tenslotte absoluut niet belangrijk wat ze van hem vinden. Een overwinning van Millwall is wat telt of in ieder geval oprechte inzet en strijd van zijn helden, verzekerde hij mij. "Hoe gaat het trouwens met jouw club", vroeg hij vervolgens. De zaterdag voor de wedstrijd tegen RBC was dat nog een pijnlijke vraag. Dat was toen. De Roosendalers werden de volgende dag op wilskracht opzij gezet. Oneindig veel meer dan de eer werd tegen Feyenoord gered. In Nijmegen bezweek Vrouwe Fortuna glimlachend en welwillend voor het enthousiasme en het hernieuwde geloof van Blauw en Wit. Binnenkant binnen. Negen punten werden zestien. Twee bleven over van de negen. Helaas, na NAC was het gat weer drie. Niettemin, Ian had gelijk. Ik was het bijna vergeten door al die nederlagen. Afgedwaald. Mijn ogen van de bal gehaald. Het draait om de hartstocht van die elf op het veld. Niet om mijn ego. Nog drie finales. Robin van Koert, 2 mei 2005 |