| (Bij)geloof in een wonder Door Robin van Koert 'Hallo!?! ... Hallo, Sevastos ?!?' ..., tevergeefs probeerde ik de stem van mijn Griekse vriend te horen temidden van het luide gejuich, geschreeuw en gezang op de achtergrond. 'Hallo?!?!', probeerde ik nog een laatste keer. Ergens in de verte hoorde ik vaag zijn stem, maar al snel ging die verloren in het feestgedruis. Ik gaf het op. De Griekse gemeenschap in Stuttgart ging op dat moment volledig uit haar bol. Het was zondag 4 juli, slechts enkele minuten na het laatste fluitsignaal van de finale van Euro 2004. Het onwaarschijnlijke was gebeurd: Griekenland was Europees kampioen voetbal. In Londen volgde ik ondertussen nauwgezet de ontwikkelingen rondom mijn cluppie. De kenners voorspelden eensgezind een laatste plaats voor de Bosschenaren. Ik geloofde echter weer in wonderen. En in voortekenen. Porto, zaterdag 12 juni. In het Estádio do Dragăo, het stadion van de draak, sloegen de blauw-witte Grieken keihard toe. Het begin van hun onwaarschijnlijke zegetocht. Drie weken later volgde het wonder van Lissabon. Enkele maanden later startte de FC ook flitsend. In acht wedstrijden verzamelden mijn helden acht punten. Het begin van Bossche triomfen? Ik begon te geloven in het wonder van De Vliert. Het was het jaar van de blauw-witte draken! Negen wedstrijden en slechts één punt verder waren dat geloof en het Bossche zelfvertrouwen evenwel op een dieptepunt aangekomen. Mismoedig zag ik de tweede seizoenshelft tegemoet. Een succesvol trainingskamp, redelijke oefenresultaten en twee aanwinsten waren redenen voor hernieuwde hoop. De eerste zeventien wedstrijden hadden nochtans ontnuchterend gewerkt. Niet langer droomde ik van glorieuze Bossche overwinningen. Hier en daar een paar punten en overleven. Bescheidenheid. Voor mijn cluppie geen wonderen. Of toch? Niet dus. In de eerste wedstrijden presteerde de FC weliswaar behoorlijk, maar helaas weer geen punten. Wel volop lof voor het vertoonde voetbal. Tevens was de doelpuntenban gebroken. Na een dramatische wedstrijd tegen het jubilerende ADO en een ongelukkig verlies tegen de Doetinchemse 'superboeren' wist ik het echter niet meer. Gelukkig was RBC nog binnen bereik. Een week later liep de achterstand op de Roosendalers tot overmaat van ramp evenwel op tot vijf punten. De Graafschap won opnieuw. Wanhopig zocht ik mijn toevlucht tot bezwerende rituelen en bijgeloof. De voortekenen hadden toch zeker niet gelogen? En Wisman was immers ook nog nooit gedegradeerd. Herinneringen aan vroeger maalden door mijn hoofd. Als veldspeler had ik nooit gedeugd. Zelfs het doel was te groot. In de zaal ging het een stuk beter. Concentratievermogen, lenigheid en weergaloze reflexen hielpen mij menige onmogelijk geachte redding te verrichten. 'Eindelijk', dacht ik, 'ik heb talent'. Toen begonnen de tegendoelpunten te vallen. In steeds grotere aantallen. 's-Nachts werd ik zwetend wakker. Hulpeloos grabbelend bezorgde ik mijn team in mijn dromen de ene na de andere nederlaag. Wat ging er mis. Wat had ik gedaan om die nederlagen te verdienen? Wanhopig analyseerde ik onze wedstrijden. Plotseling was het duidelijk. Het succes was me naar het hoofd gestegen. Ik had mijn voorbereiding verwaarloosd. Mijn kleding trok ik zonder volgorde aan. Niet langer luisterde ik voor wedstrijden op mijn walkman naar mijn favoriete songs. De doelpalen liet ik voor wat ze waren, zwart-witte aluminium palen, in plaats van ze voor aanvang bezwerend te bekloppen en heen en weer te bewegen. Rituelen. De vorm kwam terug. Opluchting. Met een laatste eindsprint werden we alsnog kampioen. Het zijn ongelukkige tijden voor Blauw en Wit. Waar moet ik me als supporter aan vasthouden? Ik ben geen coach, kan niet meespelen en zou de bal wel het doel in willen schreeuwen. Helaas, ik ben machteloos. Ver weg in Londen. Of niet? Rituelen! De dag van de wedstrijd. Spanning. De eerste kop koffie in de mok met het logo van de draak. De blauw-witte sjaal over de schouders. Half twee Nederlandse tijd. Op de fiets. Net alsof. Half drie. Weer thuis. De wedstrijd. Bijgeloof. Wel of juist niet luisteren. Teletekst of geen teletekst. De aandrang is te sterk. Achter de laptop. Verbinding zoeken. Radio 1. Langs de Lijn. Zenuwen en spanning. 'Kom op Den Bosch, hou vol', roep ik bezwerend. De negentig minuten zijn voorbij. Mijn hart bonst in mijn keel. Nog even. Het gaat lukken. Plotseling is het voorbij. Verdoofd zak ik weg in mijn stoel. Andere rituelen? De gedachte aan de volgende wedstrijd maakte me nerveus. De statistieken zagen er nochtans goed uit. Een voorteken? Helaas. London, februari 2005. Sevastos is voor drie maanden in de voetbalhoofdstad van Engeland. Op zijn verzoek had ik een paar weken geleden kaartjes voor Chelsea gekocht. Op weg naar Stamford Bridge spraken we over het Griekse mirakel. Slechts enkele weken voor de finale had ik hem via de telefoon nog bemoedigend toegesproken. De Hellenen waren zojuist door een superieur Oranje achteloos met 4 - 0 van de mat gespeeld. Sevastos zag het even niet meer zitten. Samen met zijn vrienden vreesde hij een afgang voor de helden van de Olympus. De Griekse fans bleven evenwel geloven. Nu is het mijn beurt. Elke maandag om half zeven in de ochtend gaan we een uur hardlopen. Telkens vrees ik weer de vraag. 'Nee, helaas. Opnieuw verloren', is steeds het antwoord. De sneeuw valt in grote vlokken naar beneden. Het is ijskoud. We praten over voetbal en vragen ons tegelijkertijd af waarom we in dit weer hardlopen. 'Soms moet je niet te veel nadenken', zegt Sevastos. 'Het geloof in je helden is ook niet altijd logisch', voegt hij toe. Ik zwijg en denk aan de komende wedstrijden, de kwartfinale voor de KNVB Beker tegen Willem II en de thuiswedstrijd tegen Feyenoord. Terwijl de vermoeidheid langzaam in mijn benen sluipt, dagdroom ik van een overwinning op de Tilburgers, een halve finale en een stunt tegen de Rotterdammers. Geloof in de kansen van mijn cluppie, maar toch ook een beetje (bij)geloof in een wonder. Robin van Koert, 1 maart 2005 |